We gaan terug naar de lente van ’75. Dit is namelijk niet zomaar een lente, na deze lente zou de muziekscene nooit meer hetzelfde zijn… Een Londense psychedelische rockband is op tournee door Noord-Amerika, en steekt nietsvermoedend de grens tussen Canada en de VS over, niet wetende dat één van de bandleden ’t Canadese podium nooit zou bereiken.

Een langharige jongeman genaamd Lemmy Kilmister probeert tevergeefs met zijn bagage door de Canadese douane te komen. Zijn bagage lijkt in eerste instantie niet veel anders dan die van elke andere reizende muzikant, is het niet dat hij een zakje met een witte poederige substantie meedraagt. Dit zakje is niet wat u nu denkt wat ‘t is, oké, misschien ook wel…  Het is in ieder geval niet wat de douane denkt wat ‘t is. Houd in uw achterhoofd dat wij ons op dit moment in de jaren ’70 bevonden. Motorhelmen waren in deze tijden van ’t ruime denken nog niet wettelijk verplicht, evenals het bijzondere feit dat twee gram amfetamine-sulfaat (voor de leek: een gebruikelijke vorm van speed) in het Canadese Ontario niet illegaal is. Helaas voor de bovengenoemde jongeman is de Canadese douane niet in staat zich te beseffen dat niet alles wat wit is, cocaïne genoemd kan worden.
Kilmister wordt gearresteerd, afgevoerd, in voorarrest geplaatst en totaal vernederd. Naar eigen zeggen: “handcuffed to cell bars all night.” Vijf dagen ligt Kilmister weg te rotten in een cel, vijf dagen alsof Hawkwind na vijf dagen tot de conclusie komt; “Zeg jongens… missen we niet iemand?” Maar beste lezer, de waarheid is harder…
Na vijf dagen komt de bassist op de door zijn band betaalde borgtocht vrij. Niet dat Kilmister van zijn vrijheid kan genieten, hij wordt direct door de gitarist apart genomen en hem wordt medegedeeld dat hij ontslagen is. Er is al een plaatsvervanger geregeld, en Hawkwind kan zonder Kilmister verder. Kilmister bedankt de gitarist wie hij vijf jaar lang zo trouw op elk podium in elke uithoek van deze aardbol had vergezeld, en loopt de kamer uit.

Enkele weken geleden kwam ik in aanraking met een cd, misschien beter te definiëren als compilatie-cd dan album, maar voor het gemak zal ik spreken van album. Ik hoorde de onmiskenbare stem van Lemmy, maar de muziek was tamelijk soft voor zijn doen… Was het dan Hawkwind? Nee.. dit klinkt weer veel te ruig voor Hawkwind! Uiteindelijk vroeg ik; “Is dit Motörhead?” “Ja zeker, dit is Motörhead!”

Welnu, toen Lemmy Kilmister de kamer uit liep is hij terug naar huis gegaan, om nog geen blauwe maandag (lees een maand) later tijdens een interview met twee companen op de proppen te komen. Kilmister had een verrassing voor de journalist, samen met gitarist Larry Wallis (ex- Pink Fairies) en punkdrummer Lucas Fox had hij de geboorte van een nieuwe hardrockband tot stand gebracht. Een hardrockband die ooit tot duizelingwekkende hoogte tussen de sterren zou uitreizen om ons liefhebbers de ultieme muziekervaring te mogen geven.
Nog steeds hetzelfde jaar betreden deze drie muzikale musketiers, die zich inmiddels Bastard noemden, de Amerikaanse Rockfield Studios om zich te ontfermen over enkele, door Kilmister geschreven, oude Hawkwind nummers (zoals Lost Johnny, Motorhead), en enkele nieuwe nummers.
Zang wordt afgewisseld tussen Kilmister en Wallis. De Britse strijdmakker van Kilmister, Mick Farren, zou deze samenwerking later uiteindelijk beschrijven als een samenwerking tussen twee slapeloze speedgebruikers en een door groot-licht verblind hert als drummer. Fox wordt dan ook halvewege de opnames door de meer ervaren Phil Taylor vervangen.

Laat ik hierboven nou een naam genoemd hebben, en nog een tweede naam, zet deze in één zin en men zal antwoorden; “Hee, verrek, da’s Motörhead.” Het zit namelijk zo, toen de kersverse nieuwe manager van dit gezelschap lucht kreeg van ’t feit dat men graag wenste te werken onder de naam Bastard, wees hij ditzelfde gezelschap erop dat een naam met zo’n band natuurlijk nooit op televisie zou komen. Kilmister, die natuurlijk inmiddels al gewend was om voor elk probleem razendsnel een oplossing te regelen, had kort daarna even een helder moment. Hij zou het gezelschap vernoemen naar één van zijn oudere Hawkwindwerken. Een nummer wat hij in het gezelschap van Wallis en Taylor opnieuw had opgenomen, en later zelfs met Wallis’ vervanger  Eddie Clarke wederom opnieuw zou opnemen om het debuutalbum hiernaar te vernoemen. Wel plaatste hij een umlaubt op de laatste O, omdat deze jongeman van mening was het hierdoor ‘gemener’ te laten klinken.
En deze antieke opnames? Deze zouden nog even wat jaartjes op de plank blijven, en uiteindelijk gereleased worden onder de naam ‘On Parole’. 

JJ


Larry Wallis op zang


On Parole-versie van Motörhead’s City Kids

Eau de Toilette

29/06/2009

 “Je ruikt net als me ex…” fluistert ze terwijl ze naast me zit in het gras. Ze schrijft m’n msn-adres over in haar schrift. Niet dat we elkaar leuk vinden, ze heeft al een vriend, en dan nog… Ik zou m’n hond nog niet over haar heen laten, tenzij ik onder invloed van alcohol zou zijn. In de laatste situatie vind ik namelijk elk meisje wel heel erg aantrekkelijk. Haar vriendin daarentegen, zij heeft geen enkele moeite mij mijn ademhaling te doen stoppen. Maar helaas, de lange schoonheid zit in de schaduw en krijgt waarschijnlijk weinig mee van de aanleiding van onze plotse wisseling van gespreksonderwerp.

Deze fijne zomer draag ik straks al een heel jaar de één en dezelfde eau de toilette. Ik weet niet wat ik met ’t geurtje heb… eigenlijk vrij weinig. Bij mij doemt dan ook de vraag op wat andere mensen met dit geurtje hebben. Deze eau de toilette lijkt altijd onderwerp van gesprek te zijn, terwijl deze slechts van simpele komaf is. Het betreffende geurtje heb ik op vakantie in Frankrijk gekocht, in een doodnormale Franse supermarkt, voor een doodnormaal goedkoop kutprijsje. Toch blijft deze zelden onopgemerkt.
Zo herinner ik mij één van mijn mijn bezoeken aan de Groningse ‘verkoeverkamer’ nog goed. Ik hoop dat de definitie die ik aan dit woord geef, voor zich spreekt. Die avond had ik een kamerbezichting, en ik had nog enige vrije tijd te besteden, vandaar mijn bezoek. Maar goed, ik loop dus naar ’t loket, en de langharige meneer-met-Black Sabbath-shirt (die voor de Groningers onder u, mocht u bezoeker zijn van deze bekende verkoeverkamer welgelegen aan ’t  Zuiderdiep, natuurlijk niet onbekend voor zal komen) spreekt mij aan terwijl ik mijn transactie afsluit. “Hee wat is dat voor aftershave… dat is toch… hoe heet dat nou?” Nee, meneer… dat is het niet. Dit is slechts een nederige supermarkt-eau de toilette. Maar uiteraard ben ik blij dat u het lekker vindt ruiken.
Dan toch blijft het mij intrigeren hoe men met zoiets goedkoops zo’n indruk achterlaten kan. Of is het dan misschien juist wel omdat het zo goedkoop is? En als iemand zich helemaal in een chique kledij zou kleden, zou hij dan echt zo anders zijn? Uiteraard zullen wij in een eerst oogopslag wel direct aan de hand van zijn kleding ons een beeld proberen te vormen, maar in hoeverre is men ook in staat zich te assimileren aan zijn kledij? In hoeverre ben ik in staat mij te assimileren aan de geur van mijn eau de toilette? Waarschijnlijk is mijn geurtje slechts enkel een ingrediënt in mijn voorkomen.

 

JJ

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.